Slachtoffers van een plotselinge hartstilstand zakken in elkaar, reageren niet meer, verliezen het bewustzijn, stoppen met ademen en hebben geen polsslag. Ongeveer 50% van de slachtoffers heeft een verstoord hartritme, ook wel ventriculaire fibrillatie (VF) genoemd. VF kan iedereen overkomen, zelfs iemand die helemaal gezond lijkt te zijn. In deze gevallen heeft het slachtoffer hoogwaardige reanimatie nodig en, indien beschikbaar, defibrillatie van een AED. Bij het leveren van reanimatie en een defibrillatieschok is tijd cruciaal. Onderzoek heeft aangetoond dat bij iedere minuut die voorbij gaat de overlevingskans van het slachtoffer met 10% afneemt. De andere 50% van de slachtoffers heeft doorgaans een hartritme dat bekend staat als asystolie of pols loze elektrische activiteit (PEA), waarbij er geen waarneembare activiteit van het hart is. In deze situaties is hoogwaardige reanimatie de enige behandeling*. hartstilstand

De wetenschap inzake reanimatie blijft zich ontwikkelen en de klinische richtlijnen worden regelmatig bijgewerkt om deze ontwikkelingen weer te geven en aanbieders van gezondheidszorg te adviseren over de beste praktijken. Behalve de noodzaak om deze richtlijnen te vereenvoudigen om te assisteren bij het verwerven en in stand houden van vaardigheden, ligt de nadruk van de Richtlijnen uit 2015 inzake reanimatie hoofdzakelijk op het leveren van consistent hoogwaardige borstcompressies met minimale pauzes.

De Richtlijnen uit 2015 inzake reanimatie kaarten verschillende punten in het reanimatieproces aan:

1. Meer nadruk op hoogwaardige, nauwgezette borstcompressies met minimale onderbrekingen.

2. Borstcompressies dienen op een diepte van 5 à 6 cm uitgevoerd te worden en in een tempo van 100 à 120 compressies per minuut.

3. Stop niet om het slachtoffer te controleren en houdt niet op met het toepassen van reanimatie tenzij het slachtoffer tekenen van bewustzijn begint te vertonen.

4. Reanimatieapparaten met berichten of feedback verbeteren de verwerving en instandhouding van reanimatievaardigheden en dienen overwogen te worden bij de reanimatietraining van leken en professionals in de gezondheidszorg.

 

*Bobrow BJ, et al. (2013). Ann Emerg Med. Advance online publication. doi: 10.1016/j.annemergmed.2012.12.020